► Pensioen in eigen beheer vanaf 2017

Pensioen in eigen beheer vanaf 2017

Het kabinet heeft voorgesteld om het pensioen in eigen beheer voor de dga uit te faseren. In dat kader wordt in de jaren 2017 tot en met 2019 een fiscaal voordelige afkoopmogelijkheid geboden. Opbouw is ingaande 2017 niet meer mogelijk.

Het kabinet heeft op Prinsjesdag 2016 een wetsvoorstel ingediend dat voorziet in uitfasering van het pensioen in eigen beheer voor de directeur-grootaandeelhouder (dga). Dit voorstel vormt het sluitstuk van een reeds lang lopende discussie over dit onderwerp. De achterliggende gedachte is dat de voordelen van pensioenopbouw in eigen beheer in het afgelopen decennium steeds kleiner zijn geworden (met name vanwege de beperktere ruimte om pensioen op te bouwen en de lagere Vpb-tarieven), terwijl de nadelen juist steeds zwaarder zijn gaan wegen. Een belangrijk nadeel is dat de dalende rentestanden in de afgelopen jaren voor een groot verschil tussen de commerciële en de fiscale waardering van de pensioenverplichting hebben gezorgd. Fiscaal moet namelijk nog altijd een rekenrente van 4% in aanmerking worden genomen. Door de hoge commerciële waarde van de pensioenverplichting is de ruimte om dividend uit te keren voor veel bv’s bovendien verdampt (dit wordt ook wel aangeduid als de dividendklem). Hierbij speelt de zogenoemde uitkeringstest in de flex-bv-wetgeving een rol, die voorschrijft dat alleen dividend mag worden uitgekeerd indien bv in staat blijft om aan haar opeisbare verplichtingen te voldoen. Ook het gebrek aan flexibiliteit van het pensioen in eigen beheer en de hoge uitvoeringskosten van de regeling hebben ertoe bijgedragen dat het kabinet de fiscaal gefaciliteerde opbouw van pensioen in eigen beheer per 1 januari 2017 wil beëindigen.

 

Gefaciliteerde afkoop

Tegenover de afschaffing van de fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw staat dat dga’s gedurende drie jaar (2017, 2018 en 2019) de mogelijkheid krijgen om hun pensioenaanspraak in eigen beheer af te kopen dan wel om te zetten in een oudedagsverplichting. Deze faciliteit houdt het volgende in:

  1. De pensioenaanspraak mag fiscaal geruisloos (zonder heffing van vennootschapsbelasting, loonbelasting en revisierente) worden afgestempeld tot de lagere fiscale waarde ten tijde van de afkoop. Vereist is wel dat de gehele aanspraak vervolgens wordt afgekocht of omgezet in een oudedagsverplichting (zie hierna). De afstempeling wordt niet beschouwd als een informele kapitaalstorting en verhoogt niet de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen. Ook is geregeld dat de afstempeling niet direct leidt tot het genieten van inkomen uit aanmerkelijk belang.
  2. De fiscale waarde van de pensioenverplichting (vóór afstempeling) kan in 2017, 2018 of 2019 fiscaal voordelig worden afgekocht. Dit geldt zowel voor pensioenaanspraken in de opbouwfase als voor reeds ingegane pensioenen. De als loon in aanmerking te nemen afkoopwaarde wordt berekend door de waarde van de pensioenaanspraak op de fiscale eindbalans van het jaar voorafgaande aan de afkoop actuarieel op te renten tot het afkooptijdstip en vervolgens te verminderen met eventuele uitkeringen die in de tussentijd zijn gedaan. Op die waarde wordt in de jaren 2017, 2018 en 2019 een korting toegepast van respectievelijk 34,5%, 25% en 19,5%, zodat effectief een lager tarief verschuldigd is. Om anticipatie-effecten te voorkomen wordt de korting maximaal verleend over de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting per 31 december 2015. Verder is ter zake van de afkoop geen revisierente verschuldigd.
  3. De dga voor wie afkoop financieel niet mogelijk of wenselijk is, krijgt de mogelijkheid om de fiscale waarde van de pensioenaanspraak (vóór afstempeling) om te zetten in een zogenoemde oudedagsverplichting. Dit bedrag mag, zowel in de opbouwfase als tijdens de uitkeringsfase, worden opgerent met een percentage ter grootte van het zogenoemde U-rendement dat maandelijks door het Verbond van Verzekeraars wordt gepubliceerd. De dga kan het gereserveerde bedrag op elk moment opeisen voor de aankoop van een lijfrente bij een professionele partij. Zodra de dga de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, dient het bedrag van de oudedagsverplichting gedurende twintig jaren als loon uit vroegere dienstbetrekking te worden uitgekeerd aan de dga. Het jaarlijks uit te keren bedrag is daarbij gelijk aan de stand van de oudedagsverplichting aan het begin van het desbetreffende jaar gedeeld door het aantal resterende uitkeringsjaren. In de toelichting is het voorgeschreven uitkeringsschema aan de hand van een voorbeeld verduidelijkt. Uitgangspunt is een oudedagsverplichting aan het begin van het eerste uitkeringsjaar van € 400.000 en een marktrente van 0,9%. Het uitkeringsschema ziet er dan als volgt uit:
Jaar Beginstand Uitkering Oprenting Eindstand
1 € 400.000 € 20.000 € 3.420 € 383.420
2 € 383.420 € 20.180 € 3.269 € 366.509
3 € 366.509 € 20.362 € 3.115 € 349.263
4 € 349.263 € 20.545 € 2.958 € 331.676
5 € 331.676 € 20.730 € 2.799 € 313.745
6 € 313.745 € 20.916 € 2.635 € 295.464
7 € 295.464 € 21.105 € 2.469 € 276.829
8 € 276.829 € 21.295 € 2.300 € 257.834
9 € 257.834 € 21.486 € 2.127 € 238.475
10 € 238.475 € 21.680 € 1.951 € 218.747
11 € 218.747 € 21.875 € 1.772 € 198.644
12 € 198.644 € 22.072 € 1.589 € 178.162
13 € 178.162 € 22.270 € 1.403 € 157.294
14 € 157.294 € 22.471 € 1.213 € 136.037
15 € 136.037 € 22.673 € 1.020 € 114.385
16 € 114.385 € 22.877 € 824 €   92.331
17 €   92.331 € 23.083 € 623 €   69.872
18 €   69.872 € 23.291 € 419 €   47.000
19 €   47.000 € 23.500 € 212 €   23.712
20 €   23.712 € 23.712 € 0 € 0
 

Voorwaarden

De hiervoor genoemde fiscale faciliteiten kunnen ook worden toegepast op de pensioenrechten van de partner van de dga. Aan de toepassing van voornoemde faciliteiten zijn echter wel diverse voorwaarden verbonden. Zo is vereist dat de partner van de dga schriftelijk instemt met het gedeeltelijk prijsgeven en de daaropvolgende afkoop c.q. omzetting van het pensioen in eigen beheer. Ook moet de dga de Belastingdienst binnen een maand na het tijdstip van afstempeling informeren over de faciliteiten die hij wenst toe te passen en de daarmee gemoeide bedragen (waarde van de pensioenaanspraak in het economische verkeer, fiscale waarde, bewijs toestemming partner etc.). Hiervoor worden aanvullende regels opgesteld. Het gaat hier overigens om fatale voorwaarden: het ontbreken van toestemming van de partner en niet (tijdige) naleving van de informatieverplichting betekent dat de faciliteiten buiten toepassing blijven. In dat geval wordt de gehele waarde van de aanspraak belast en is ook revisierente verschuldigd. Een waarschuwing is hier dus op zijn plaats.

 

Oneigenlijk gebruik

Naast de eerder al besproken maximering van de grondslag van de korting op de fiscale balanswaarde per 31 december 2015, bevat het wetsvoorstel nog een andere maatregel die ervoor moet zorgen dat geen oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de geboden faciliteiten. Indien de opbouw van pensioen in eigen beheer in 2016 meer dan 125% hoger is dan die in 2015, kan het surplus namelijk niet fiscaal geruisloos worden afgestempeld. Ook kan de pensioenaanspraak in zoverre niet fiscaal gefaciliteerd worden afgekocht of omgezet in een oudedagsverplichting. Het is echter niet zo dat de voorgestelde faciliteiten in die situatie in het geheel komen te vervallen.

 

Voorbeelden

In de bijlage van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zijn enkele voorbeelden opgenomen die de werking van de afkoopfaciliteit illustreren.

Uitgangspunt is een pensioenverplichting die op 31 december 2015 een commerciële waarde heeft van € 900.000, terwijl de fiscale waarde € 300.000 bedraagt. Na die datum hebben geen dotaties plaatsgevonden. Wel is sprake van actuariële oprenting conform onderstaande tabel:

  31-12-2015 01-01-2017 01-01-2018 01-01-2019
Commercieel € 900.000 € 912.398 € 924.197 € 936.432
Fiscaal € 300.000 € 320.751 € 343.398 € 367.995

 

  • Bij afkoop per 1 januari 2017 vormt de fiscale waarde van de pensioenaanspraak van € 320.751 het uitgangpunt voor de loonheffing. Vervolgens mag een korting van 34,5% worden toegepast over maximaal de fiscale balanswaarde per 31 december 2015. De heffingsgrondslag voor de loonbelasting komt dan uit op € 320.751 – (0,345 x € 300.000) = € 217.251.
  • Bij afkoop per 1 januari 2018 vormt de fiscale waarde van de pensioenaanspraak van € 343.398 het uitgangpunt voor de loonheffing. Vervolgens mag een korting van 25% worden toegepast over maximaal de fiscale balanswaarde per 31 december 2015. De heffingsgrondslag voor de loonbelasting komt dan uit op € 343.398 – (0,25 x € 300.000) = € 268.398.
  • Bij afkoop per 1 januari 2019 vormt de fiscale waarde van de pensioenaanspraak van € 367.995 het uitgangpunt voor de loonheffing. Vervolgens mag een korting van 19,5% worden toegepast over maximaal de fiscale balanswaarde per 31 december 2015. De heffingsgrondslag voor de loonbelasting komt dan uit op € 367.995 – (0,195 x € 300.000) = € 309.495.

Uiteraard kan de dga er ook voor kiezen om de fiscale waarde van de pensioenaanspraak om te zetten in een oudedagsverplichting. In dat geval is niet direct loonbelasting verschuldigd.

Handhaven bestaande pensioenvoorziening

Wanneer van bovenstaande regelingen geen gebruik wordt gemaakt, blijft de pensioenpassiefpost gehandhaafd en komt deze op de pensioenleeftijd tot uitkering zoals ook was beoogd in de regeling. Ook in deze variant kan vanaf 1 januari 2017 geen opbouw meer plaatsvinden. Alleen reeds toegezegde indexeringen mogen nog worden toegepast. Dit betekent dat de pensioenaanspraak in eigen beheer uiterlijk per 31 december 2016 premievrij moet zijn gemaakt en dat de pensioenbrief moet zijn aangepast. Daartoe is een aandeelhoudersvergadering noodzakelijk. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is echter gebleken dat de periode tot 1 januari 2017 in sommige gevallen te kort is voor het doorvoeren van de noodzakelijke aanpassingen. Daarom is bij nota van wijziging bepaald dat de Minister van Financiën onder voorwaarden een extra termijn van drie maanden kan gunnen.

Bron: Deloitte